ECLI:NL:CRVB:2016:4755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds maart 2010 een IOAW-uitkering en was tot mei 2012 gehuwd. Na beëindiging van de relatie werd zijn uitkering berekend op basis van alleenstaande grondslag. Het college voerde onderzoek uit naar zijn woonplaats, waaronder huisbezoeken zonder informed consent, en trok de uitkering per 23 september 2011 in wegens niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres.
De rechtbank vernietigde de intrekking voor de periode tot 7 december 2011, maar liet deze voor de latere periode in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat de onrechtmatige huisbezoeken niet als bewijs mochten dienen en dat hij wel degelijk op het uitkeringsadres woonde. Tevens verzocht hij om schadevergoeding wegens de onrechtmatige huisbezoeken.
De Raad oordeelde dat er redelijke grond bestond voor de huisbezoeken, maar erkende dat het ontbreken van informed consent een inbreuk op het huisrecht betekende. Dit maakte het gebruik van de bevindingen tijdens de huisbezoeken niet per definitie onrechtmatig voor de beoordeling van het recht op bijstand vanaf de huisbezoeken, maar wel voor de periode daarvoor. De Raad bevestigde dat appellant geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres gedurende de relevante periode en dat het college terecht de uitkering introk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen onrechtmatig besluit was genomen.
Uitkomst: De intrekking van de IOAW-uitkering wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige huisbezoeken wordt afgewezen.