ECLI:NL:CRVB:2016:4367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
16 november 2016
Zaaknummer
15/568 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder dringende redenen

Appellante ontving vanaf juni 2011 bijstand als alleenstaande ouder. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor zij geen recht had op die norm. Dit besluit werd in rechte onaantastbaar.

Het college vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat er dringende redenen waren om terugvordering geheel of gedeeltelijk te laten achterwege, onder meer vanwege haar kwetsbare gezondheidssituatie.

De Raad oordeelde dat de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit vaststaat en dat de terugvordering verplicht is op grond van de WWB. Dringende redenen voor kwijtschelding zijn niet aannemelijk gemaakt, ondanks de overgelegde medische gegevens die psychische klachten bevestigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder dringende redenen voor kwijtschelding.

Uitspraak

15/568 WWB
Datum uitspraak: 15 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
19 december 2014, 14/460 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 15/566 WWB, plaatsgevonden op
4 oktober 2016. Namens appellante is mr. Gürses verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Collignon. In zaak 15/566 WWB is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 7 juni 2011 bijstand op grond van de Wet Werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Bij besluit van 24 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 maart 2013, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 7 juni 2011 ingetrokken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij niet aan het college heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] (A). Zij had om die reden geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.3.
Met de uitspraak van de Raad van 30 juni 2015, 14/2039 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2174, is het in 1.1 vermelde besluit van 24 januari 2013 in rechte onaantastbaar geworden.
1.4.
Bij besluit van 20 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de kosten van de aan appellante over de periode van 7 juni 2011 tot en met 30 november 2012 verleende bijstand tot een bedrag van € 26.025,11 van haar teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de intrekking onrechtmatig is omdat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met A. Daarom is ook de terugvordering niet rechtmatig. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat er dringende redenen zijn om volledig dan wel gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Deze redenen zijn gelegen in haar kwetsbare positie, het feit dat zij jarenlang op bijstandsniveau leeft en het feit dat zij vanwege haar gezondheid jarenlang onder medische behandeling is. Zij heeft ter onderbouwing van deze beroepsgrond medische gegevens overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op de in 1.3 vermelde uitspraak van de Raad staat de rechtmatigheid van het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 7 juni 2011 tot en met 24 januari 2013 in rechte vast. Wat appellante over de gezamenlijke huishouding heeft aangevoerd kan bij de terugvordering niet nogmaals aan de orde worden gesteld en behoeft derhalve geen bespreking.
4.2.
Het besluit tot terugvordering dateert van na 1 januari 2013. Vanaf 1 januari 2013 is het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 58 van Pro de WWB gehouden de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit betekent dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB verplicht is de ten onrechte of teveel verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen.
4.3.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB, zoals dat luidde vanaf 1 januari 2013, kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.
4.4.
Met wat appellante heeft aangevoerd heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen als bedoeld in 4.3. Uit de door haar overgelegde medische gegevens, bestaande uit een spreekuurjournaal van haar huisarts, voor zover het haar psychische klachten betreft in de periode van 2011-2013, is af te leiden dat appellante in die periode psychische en sociale problemen ondervond. Daaruit volgt echter niet dat het bestreden besluit tot terugvordering van de kosten van bijstand voor haar onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen had.
4.5.
Uit 4.1 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2016.
` (getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J.M.M. van Dalen

HD