Appellant, geboren in 1972, diende in 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege autismespectrumstoornis en ADD. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant volgens een beoordeling in 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en in staat werd geacht meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door niet te beoordelen of hij de werkzaamheden duurzaam kon verrichten en dat de rechtbank ten onrechte de arbeidsongeschiktheid op zijn zeventiende en achttiende levensjaar had betrokken zonder dat dit ter zitting aan de orde was gekomen. Het UWV voerde aan dat de arbeidsongeschiktheid op achttienjarige leeftijd nihil was.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van het UWV niet in overeenstemming was met de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die op appellant van toepassing is vanwege zijn geboortejaar. Het UWV had niet de situatie op het zeventiende en achttiende levensjaar beoordeeld, wat een onjuiste grondslag vormde voor het besluit. Nieuw onderzoek bevestigde dat de beperkingen van appellant ook in die periode aanwezig waren, zonder aanwijzingen voor een andere belastbaarheid.
De Raad stelde vast dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd ook rond de zeventien/achttienjarige leeftijd van appellant op de arbeidsmarkt voorkwamen en dat er geen medische bezwaren waren tegen deze functies. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak werden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld in de kosten van appellant.