Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4333

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2016
Publicatiedatum
15 november 2016
Zaaknummer
14/5508 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wubo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1924 in Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij persoonlijk was getroffen door oorlogsgeweld.

De Raad heeft het onderzoek van verweerder als voldoende beoordeeld en concludeert dat de verklaring van appellante niet ondersteund wordt door objectieve gegevens die haar persoonlijke betrokkenheid bij oorlogsgeweld bevestigen. Het verblijf in het 10e Bataljon tijdens de Bersiap-periode werd niet als oorlogsgeweld erkend omdat het kamp een geallieerd opvangkamp was en er geen bewijs was van directe betrokkenheid bij beschietingen.

De Raad oordeelt dat het meemaken van beschietingen alleen als oorlogsgeweld kan gelden indien sprake is van directe persoonlijke betrokkenheid, zoals verwondingen of het overlijden van naasten, wat hier ontbreekt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.

Uitspraak

14/5508 WUBO
Datum uitspraak: 3 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 september 2014, kenmerk BZ01736721 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Namens appellante zijn verschenen mr. Lesquillier en [naam A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1924 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2013 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, en voorzieningen voor huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer.
1.2.
Bij besluit van 17 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Verweerder is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de evacuatie vanaf [plaatsnaam] naar het 10e Bataljon in Batavia tijdens de Bersiap-periode heeft plaatsgevonden vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden. Het verblijf in het 10e Bataljon valt naar het oordeel van verweerder niet onder de werking van de Wubo, aangezien dit kamp een geallieerd opvangkamp was en geen interneringskamp. Daarbij is overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellante tijdens haar verblijf in het 10e Bataljon persoonlijk betrokken is geweest bij beschietingen.
2. Naar aanleiding van wat in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft verweerder onderzoek verricht waarbij de aanwezige relatiedossiers zijn geraadpleegd. Ook is navraag gedaan bij het Nederlandse Rode Kruis en is informatie opgevraagd bij de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. Onder deze omstandigheden zijn de beschikbare bronnen, in combinatie met de door appellante verstrekte gegevens, voldoende benut en kan het betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de door appellante genoemde gebeurtenissen niet worden onderschreven.
2.2.
Uit artikel 2 van Pro de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1723) kan een door een betrokkene genoemde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Een dergelijke verklaring dient te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Deze moeten bovendien betrekking hebben op de situatie van de betrokkene zelf en niet slechts op de algemene situatie ter plekke, waarin de gestelde gebeurtenissen zouden kunnen passen.
2.3.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat de vlucht vanuit [plaatsnaam] vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Uit de gegevens komt weliswaar het beeld naar voren dat de pemoeda’s/rampokkers zorgden voor een dreigende sfeer rond de ouderlijke woning, maar van een concrete levensbedreigende situatie voor appellante (of de andere gezinsleden) is niet gebleken. Het plunderen van de verlate woning van de buren en de omstandigheid dat een oude Indonesiër kon voorkómen dat de ouderlijke woning werd geplunderd, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Levensbedreigende omstandigheden tijdens de vlucht heeft appellante in het sociaal rapport niet genoemd.
2.4.
Het verblijf van appellante in het 10e Bataljon tijdens de Bersiap-periode kan niet worden aangemerkt als een gebeurtenis in de zin van de Wubo, aangezien het kamp dienstdeed als opvangkamp. Het betoog dat voor het aanvaarden van een betrokkenheid bij beschietingen in het 10e Bataljon voldoende is dat een betrokkene tijdens beschietingen in het 10e Bataljon heeft verbleven, treft geen doel aangezien verweerder een dergelijke ruimhartige benadering sinds 2006 niet langer hanteert. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van
22 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3691) kan het meemaken van beschietingen (alleen) als oorlogsgeweld in de zin van de Wubo worden aanvaard als een betrokkene bij die beschietingen direct persoonlijk betrokken is geweest. Voor een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang of de betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten. Daarvan heeft appellante geen melding gemaakt. Dat appellante er getuige van zegt te zijn geweest dat een jong meisje dat, evenals (de familie van) appellante verbleef in een van de lokalen van de [naam school] in het 10e Bataljon, bij de beschietingen dodelijk gewond is geraakt, kan niet leiden tot een directe betrokkenheid als hiervoor bedoeld.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en
M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD