ECLI:NL:CRVB:2016:4333
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1924 in Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij persoonlijk was getroffen door oorlogsgeweld.
De Raad heeft het onderzoek van verweerder als voldoende beoordeeld en concludeert dat de verklaring van appellante niet ondersteund wordt door objectieve gegevens die haar persoonlijke betrokkenheid bij oorlogsgeweld bevestigen. Het verblijf in het 10e Bataljon tijdens de Bersiap-periode werd niet als oorlogsgeweld erkend omdat het kamp een geallieerd opvangkamp was en er geen bewijs was van directe betrokkenheid bij beschietingen.
De Raad oordeelt dat het meemaken van beschietingen alleen als oorlogsgeweld kan gelden indien sprake is van directe persoonlijke betrokkenheid, zoals verwondingen of het overlijden van naasten, wat hier ontbreekt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.