ECLI:NL:CRVB:2016:4111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding zorgtoeslag ter voldoening bestuursrechtelijke premie
Appellant is geconfronteerd met een besluit van het Zorginstituut waarin de zorgtoeslag wordt ingehouden ter gedeeltelijke voldoening van een bestuursrechtelijke premie die hij verschuldigd is. Appellant voerde bezwaar aan tegen de inhouding van de zorgtoeslag, met name omdat ook de toeslag van zijn partner werd ingehouden, terwijl zij geen betalingsachterstand had.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de inhouding van de zorgtoeslag voor het gehele huishouden rechtmatig is, mede op grond van de Wet op de zorgtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Ook werden de bezwaren tegen schending van het EVRM en het Europees Sociaal Handvest verworpen.
In hoger beroep bracht appellant geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig en bevestigde het oordeel dat de inhouding van de zorgtoeslag rechtmatig is. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van de zorgtoeslag bevestigd.