In deze zaak stond de vraag centraal of appellante recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (WWAJ). De Raad oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat het bestreden besluit van 25 april 2013 niet kon standhouden vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het UWV werd opgedragen de beoordeling te herzien met betrekking tot de feitelijke begeleiding die nodig is voor appellante.
Na uitvoering van deze tussenuitspraak stelde de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in december 2015 dat de geselecteerde functies voldoen aan de beperkingen van appellante en dat de benodigde begeleiding gerealiseerd kan worden door aanwezigheid van collega’s of leidinggevenden. Appellante stelde dat alleen professionele hulpverlening volstaat.
De Raad concludeerde dat de begeleiding door collega’s of leidinggevenden in de geselecteerde eenvoudige functies voldoende is en dat een jobcoach een re-integratievoorziening is die niet relevant is voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.