In deze zaak staat de beoordeling van de mate van toezicht en begeleiding die appellant nodig heeft centraal, in het kader van een WIA-uitkering. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het oorspronkelijke besluit van het UWV een gebrekkige motivering bevatte. Ter uitvoering hiervan heeft het UWV aanvullende rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ingediend.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een nadere rapportage een beperking op het gebied van toezicht en begeleiding op niveau 3 vastgesteld, wat inhoudt dat appellant eenvoudige handelingen zelf kan verrichten maar bij veranderingen of problemen hulp moet kunnen vragen. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat extra begeleiding niet nodig is voor de werkinhoudelijke taken, maar dat toezicht vooral gericht is op bescherming tegen pesterijen op de werkvloer.
Appellant betwist deze inschatting en stelt dat hij meer intensieve begeleiding nodig heeft (niveau 2). De Raad oordeelt echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niveau 3 passend is, mede gelet op medische rapporten en de aard van de functies die appellant kan vervullen. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.