ECLI:NL:CRVB:2016:3898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag bij bijstand wegens inkomsten meerderjarige zoon
Appellante ontvangt bijstand met een toeslag van 20% als alleenstaande ouder. Haar meerderjarige zoon, die bij haar woont, ontvangt sinds 1 april 2013 een Wajong-uitkering en studiefinanciering. Het college heeft de toeslag verlaagd naar 10% en de te veel ontvangen bijstand teruggevorderd omdat het gezamenlijke inkomen van de zoon boven het normbedrag uit de Wsf 2000 lag.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Appellante stelde dat het feitelijk inkomen van haar zoon onder de norm bleef en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege de geringe overschrijding.
De Raad overweegt dat de uitzondering in artikel 25 WWB Pro alleen ziet op thuiswonende meerderjarige kinderen met aanspraak op studiefinanciering zolang hun inkomen niet boven de norm ligt. De zoon viel hier niet onder omdat zijn inkomen inclusief fictief inkomen hoger was dan de norm. De toeslagverlaging was daarom terecht. De hardheidsclausule was niet van toepassing omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
De aanvraag om langdurigheidstoeslag werd afgewezen en dit beroep is niet zelfstandig behandeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De toeslag bij bijstand wordt terecht verlaagd van 20% naar 10% vanwege het inkomen van de meerderjarige zoon, en het hoger beroep wordt afgewezen.