Uitspraak
19 maart 2014, 13/8965 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat de minister het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een ambtenaar bij het ministerie van Defensie, werd eervol ontslagen per 1 september 2013 na een herplaatsingstraject dat geen resultaat opleverde. Het ontslag werd aanvankelijk opgeschort en later gewijzigd naar 1 december 2013 vanwege een niet correcte opzegtermijn.
Appellant stelde in bezwaar en beroep dat het herplaatsingstraject niet deugdelijk was, maar had deze grond bewust niet eerder aangevoerd. De Raad oordeelt dat deze beroepsgrond daarom niet meer kan worden behandeld. Daarnaast was er sprake van een bevoegdheidsgebrek bij het besluit op bezwaar, omdat de directeur DMO niet bevoegd was dit namens de minister te doen.
Toch werd dit bevoegdheidsgebrek hersteld door de minister die het besluit bekrachtigde. De Raad past artikel 6:22 Awb Pro toe en laat het besluit in stand omdat appellant niet is benadeeld. De Raad veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierechten en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het eervol ontslag wordt bevestigd ondanks bevoegdheidsgebrek; het herplaatsingsverweer wordt niet-ontvankelijk verklaard.