ECLI:NL:CRVB:2016:2572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand met juiste beslagvrije voet
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden sinds december 2008. Het dagelijks bestuur herzag en vorderde terug ten onrechte verleende bijstand over drie maanden in 2010-2011, met een maandelijkse inhouding van 6% op de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden. In hoger beroep stelden zij dat de beslagvrije voet niet in acht was genomen bij de inhouding.
De Raad oordeelde dat appellanten de herziening en terugvordering niet meer mochten betwisten omdat zij deze gronden in eerste aanleg hadden prijsgegeven. De Raad stelde vast dat de beslagvrije voet conform artikel 475d Rv juist was toegepast, omdat de inhouding 6% bedroeg en daarmee onder de 10% grens bleef, waardoor appellanten minimaal 90% van de bijstand konden behouden.
De door appellanten aangevoerde schuldenlast kon niet leiden tot een hogere beslagvrije voet, omdat de terugvordering van het dagelijks bestuur preferent is boven andere schuldeisers. De Raad zag geen reden tot nader feitenonderzoek en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.