Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde OV-schuld voor september en oktober 2013, omdat hij zijn studentenreisproduct niet tijdig had stopgezet. Hij stelde dat hij het reisproduct niet kon beëindigen omdat hij zijn OV-chipkaart kwijt was en dat hij hierover onvoldoende informatie had ontvangen. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen het tweede besluit af.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de brief van appellant binnen de bezwaartermijn als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad bevestigt dat het reisproduct uitsluitend op de voorgeschreven wijze kan worden stopgezet en dat het melden van verlies van de OV-chipkaart niet volstaat.
De OV-schuld van € 388,- is daarom terecht opgelegd, ongeacht of appellant daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het reisproduct of dat de minister nadeel heeft ondervonden. Onbekendheid met de regelgeving en foutieve informatie van een klantenservicemedewerker kunnen niet tot uitzondering leiden. De OV-schuld is geen boete maar een reparatoire sanctie. Het hoger beroep slaagt daarom deels en het besluit wordt vernietigd voor zover het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.