Appellant, een buschauffeur, werd in 2009 geschorst en ontslagen wegens het doen van meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen, die volgens de kantonrechter onwaar waren en een dringende reden voor ontslag vormden. Het UWV weigerde een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het oordeel van de kantonrechter werd gevolgd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk bedreigd was en dat het UWV onvoldoende eigen onderzoek had gedaan. De Raad stelde vast dat de camerabeelden geen bedreiging met een vuurwapen toonden en dat appellant tegen beter weten in valse aangiften had gedaan. De Raad oordeelde dat het UWV echter onvoldoende zorgvuldig had onderzocht, omdat het niet beschikte over alle relevante stukken en niet adequaat op het aanbod van appellant om beeldmateriaal te leveren had gereageerd.
Verder werd overwogen dat de medische stukken uit 2015 geen betrekking hadden op de situatie in 2009, waardoor geen vermindering van verwijtbaarheid kon worden toegekend. De Raad vernietigde de eerdere besluiten van het UWV, oordeelde dat de verwijtbare werkloosheid vanaf 5 augustus 2009 bestond en veroordeelde het UWV in proceskosten van appellant en werkgeefster.