ECLI:NL:CRVB:2016:285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar
Appellante heeft zich ziek gemeld in 1994 met rugklachten gerelateerd aan een beenlengteverschil en kreeg in 1995 geen WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2012 meldde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid na een auto-ongeval in 1999 met klachten als whiplash en psychische stoornissen. Het UWV weigerde de uitkering omdat niet was aangetoond dat deze toename voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als in 1994.
Appellante voerde aan dat de psychische stoornis mogelijk al voor 2000 latent aanwezig was en dat de toegenomen beperkingen dus binnen de vijfjaarstermijn vielen. Zij overlegde medische rapporten die een chronische conversiestoornis en PTSS sinds jeugd aantonen. Het UWV en verzekeringsartsen concludeerden echter dat er geen bewijs was voor toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de wachttijd.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht geen verband aannam en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde dat het UWV overtuigend had gemotiveerd dat de klachten na 1995 niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen als de eerdere rugklachten. De medische rapporten boden geen voldoende aanknopingspunten voor een andere conclusie. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van een WAO-uitkering wordt bevestigd.