Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB vanaf januari 2013. Na onderzoek door het dagelijks bestuur bleek dat appellant hoge vaste lasten had en contante leningen ontving van derden, waarvan hij geen verifieerbare gegevens kon overleggen. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd, en werd een boete opgelegd.
Appellant voerde aan dat hij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat hij wel voldoende bewijs van de leningen had geleverd. Het dagelijks bestuur stelde de boete later op nul en kende een vergoeding toe voor de bezwaarprocedure. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door de ontvangen bedragen niet te melden, wat een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand.
De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt van wie en wanneer hij betalingen ontving, en bevestigde daarmee het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Het hoger beroep tegen het besluit tot boete werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een resterend belang. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en het hoger beroep tegen de boete wordt niet-ontvankelijk verklaard.