ECLI:NL:CRVB:2016:248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding en weigering na-wettelijke uitkering
Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de gemeente Groningen en werd ontslagen wegens een ernstig verstoorde arbeidsverhouding met zijn twee collega’s en leidinggevenden. Het college maakte het ontslagbesluit op grond van artikel 8:8 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling (ARG) bekend, waarbij een WW-uitkering werd gegarandeerd. Na bezwaar kende het college een aanvullende uitkering toe, maar weigerde een na-wettelijke uitkering en een extra ontslagvergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de verstoorde arbeidsverhouding niet aan hem lag, dat het college onvoldoende had gedaan voor re-integratie en dat hij recht had op een na-wettelijke uitkering en een aanvullende vergoeding.
De Raad oordeelde dat de samenwerking door het gedrag en houding van appellant jarenlang uiterst stroef verliep, met negatieve invloed op collega’s en de sfeer. Ondanks waarschuwingen en trajecten tot gedragsverandering, waaronder mediation en trainingen, bleef het vertrouwen en de samenwerking onherstelbaar verstoord. Het college had voldoende inspanningen verricht om appellant te begeleiden naar ander werk.
De Raad bevestigde dat het ontslag grotendeels aan appellant zelf te wijten was en dat het college daarom terecht de na-wettelijke uitkering en aanvullende vergoeding had geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd en de na-wettelijke uitkering geweigerd.