Appellant ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten. De minister herzag deze toekenning na een huisbezoek door twee controleurs, waarbij werd geconcludeerd dat appellant niet op het geregistreerde adres woonde. Eén controleur was echter een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) en niet bevoegd tot toezicht volgens het aanwijzingsbesluit. Hierdoor is het huisbezoek onrechtmatig en het bewijs onbruikbaar.
De Raad oordeelde dat het toezicht op naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat alleen personen die in vaste dienst zijn bij de aangewezen organisatie bevoegd zijn. De zzp’er ontbeerde de vereiste gezagsverhouding en wettelijke grondslag. Omdat het rapport niet te herleiden is naar individuele controleurs, leidt de onbevoegdheid van één controleur tot onrechtmatigheid van het gehele bewijs.
Hierdoor ontbreekt een deugdelijke feitelijke grondslag voor het besluit van de minister en is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigt het besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het herzieningsbesluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant.