Uitspraak
25 maart 2015, 14/719 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1997 werkzaam als [functie] bij de GGD Brabant-Zuidoost. Vanaf 2006 werd hij herhaaldelijk aangesproken op tekortkomingen in kennis, houding en gedrag, waaronder het niet halen van de profcheck en onvoldoende zelfreflectie. Diverse verbetertrajecten werden gestart, waaronder een langdurig traject van 2010 tot 2011 en een nieuw traject eind 2012 gericht op kennis en gedrag.
Ondanks positieve afronding van enkele onderdelen van het kennistraject, bleven essentiële tekortkomingen bestaan, zoals onvoldoende protocollair handelen en gebrek aan zelfreflectie. Appellant maakte geen adequaat plan van aanpak voor gedragsverbetering, ondanks hulpaanbod. Het dagelijks bestuur trok de bekwaamheidsverklaring definitief in en verleende ontslag op grond van artikel 8:6 CAR Pro/UWO wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur voldoende feitelijke grondslag had, appellant meerdere kansen tot verbetering had gekregen, en dat persoonlijke omstandigheden geen reden waren om van ontslag af te zien. Een herplaatsingsonderzoek was niet verplicht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van 25 maart 2015 bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag wegens ongeschiktheid blijft in stand.