Appellant was sinds april 2010 werkzaam als hoofd bedrijfsvoering bij het agentschap BPR. Na voortgangsgesprekken met kritiek op zijn functioneren en een ziekmelding ontstond een conflict over het neerleggen van zijn functie. De minister besloot appellant te ontslaan wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, zonder voorafgaand een verbetertraject te bieden.
De Raad oordeelt dat ongeschiktheid moet blijken uit concrete gedragingen en dat het niet noodzakelijk is dat ontslag voorafgaat aan een formeel beoordelingsgesprek. De minister kon onvoldoende aannemelijk maken dat appellant zich negatief had uitgelaten tijdens een presentatie, maar stelde wel dat appellant zich niet altijd aan regels hield en problemen veroorzaakte in communicatie.
Volgens vaste rechtspraak moet een ambtenaar in principe een verbeterkans krijgen, tenzij sprake is van uitzonderlijke situaties. De Raad concludeert dat die uitzonderlijke situatie hier niet bestond en dat appellant ten onrechte geen reële kans op verbetering is geboden. Daarom was het ontslag onrechtmatig en vernietigt de Raad het bestreden besluit, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.