ECLI:NL:CRVB:2016:1338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering maatschappelijke opvang op grond van Wmo wegens ontbreken dakloosheid
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om maatschappelijke opvang en leefgeld. Het college wees deze verzoeken af op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet werk en bijstand (WWB). De bezwaren van appellant werden door het college ongegrond verklaard, waarbij werd benadrukt dat appellant geen Nederlander is en niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander, en dat geen sprake is van een situatie die een positieve opvangverplichting op grond van artikel 8 EVRM Pro oplevert.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet tot de kwetsbare groep behoort die aanspraak kan maken op opvang en dat hij gedurende de relevante periode bij vrienden verbleef en ondersteuning ontving van een stichting. Appellant stelde in hoger beroep dat het college op grond van internationale mensenrechten verplicht is opvang en leefgeld te bieden, maar trok het hoger beroep voor zover het de WWB betrof in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat gedurende de beoordelingsperiode van 10 juli 2012 tot en met 4 januari 2013 geen sprake was van dakloosheid of dreiging daarvan, en dat appellant voldoende ondersteuning ontving. Hierdoor was geen positieve verplichting tot opvang op grond van artikel 8 EVRM Pro van toepassing. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van maatschappelijke opvang omdat geen sprake is van dakloosheid of dreiging daarvan.