Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, afkomstig uit Afghanistan, verbleef onrechtmatig in Nederland en ontving maatschappelijke opvang in de vorm van leefgeld. Na afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring stopte het college de opvang. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees op het koppelingsbeginsel en het ontbreken van een schending van artikel 8 EVRM Pro.
In hoger beroep betoogde appellant dat de beëindiging van de opvang in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het Europees Sociaal Handvest en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waarbij hij tevens stelde dat de belangen van zijn kinderen onvoldoende waren meegewogen.
De Raad overwoog dat appellant geen rechtmatig verblijf had en daarom geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat geen substantiële bedreiging van zijn fysieke of psychische gezondheid was aangetoond en appellant woonde bij zijn gezin. Het college had een fair balance gewaarborgd tussen publieke en particuliere belangen.
Ook de overige internationale verdragsbepalingen boden appellant geen rechten. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de maatschappelijke opvang wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en wijst het verzoek om schadevergoeding af.