ECLI:NL:CRVB:2015:3891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing indicatie begeleiding individueel op grond van voorliggende voorziening
Appellante, bekend met psychische klachten en COPD, vroeg op 7 december 2011 bij het CIZ een indicatie aan voor Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Individueel op grond van de AWBZ. Het CIZ wees deze aanvraag aanvankelijk af, waarna bezwaar werd gemaakt. Na herziening verleende het CIZ een indicatie voor Persoonlijke Verzorging, maar wees Begeleiding Individueel af omdat zorg vanuit de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Volgens de rechtbank was er geen aanleiding om te twijfelen aan de medische adviezen waarop het CIZ zich baseerde, die stelden dat appellante intensieve behandeling nodig had vanuit de Zvw, en dat aanvullende AWBZ-zorg niet noodzakelijk was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij begeleiding in de thuissituatie nodig had, ondanks behandeling en medicatie. De Raad toetste dit aan de medische adviezen en oordeelde dat de begeleiding onderdeel is van de intensieve behandeling vanuit de Zvw en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een AWBZ-indicatie rechtvaardigen.
De Raad concludeert dat het CIZ de indicatie voor Begeleiding Individueel terecht heeft afgewezen omdat er een voorliggende voorziening is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het CIZ terecht de indicatie voor Begeleiding Individueel heeft afgewezen vanwege een voorliggende voorziening vanuit de Zorgverzekeringswet.