ECLI:NL:CRVB:2015:3506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling maximale dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaarschrift
Appellant diende bezwaar in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven waarin zijn bijstand werd verlaagd. Het college gaf appellant een termijn van twee weken om de gronden van het bezwaar aan te vullen en stelde dat de beslistermijn hierdoor werd opgeschort. Het college legde een dwangsom op wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opschorting van de beslistermijn terecht was toegepast. In hoger beroep stelde appellant dat er geen sprake was van een verzuim en dat hij niet had ingestemd met opschorting van de beslistermijn. De Raad oordeelde dat het bezwaarschrift voldeed aan de vereisten en dat de opschorting op grond van artikel 7:10, tweede lid, Awb niet van toepassing was. De termijn van twee weken voor aanvulling kon niet worden opgeteld bij de beslistermijn.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit over de hoogte van de dwangsom en stelde de dwangsom vast op het maximumbedrag van €1.260,-. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De dwangsom wordt vastgesteld op het maximumbedrag van €1.260,- wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.