ECLI:NL:CRVB:2015:3313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens niet melden hennepteelt bij UWV
Appellant, een voormalig monteur, ontving vanaf 2004 een WAO-uitkering en toeslag. In 2010 werd in zijn woning een hennepplantage aangetroffen, waarna het UWV onderzoek deed en concludeerde dat appellant tussen juli en november 2010 een wederrechtelijk voordeel van €15.000 had behaald en dit niet had gemeld. Het UWV stelde het fictieve inkomen hoger dan het minimum en stelde de uitkering en toeslag over die periode op nihil. Tevens werd een bedrag van €5.136,02 teruggevorderd en een boete van €520 opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, waarbij het bewijs van de hennepteelt en het wederrechtelijk voordeel werd bevestigd, evenals de rechtmatigheid van de boete. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen inkomsten had genoten en dat de bestuurlijke boete een dubbele bestraffing vormde naast de strafrechtelijke sancties.
De Raad volgde het oordeel van het hof dat appellant wel degelijk een hennepkwekerij had gehad en dat het niet melden van werkzaamheden een ernstige overtreding van de inlichtingenplicht was. De Raad oordeelde dat de bestuurlijke boete niet in strijd was met het verbod op dubbele bestraffing omdat het niet ging om dezelfde gedraging. Ook de proportionaliteit van de boete werd bevestigd, mede gelet op de draagkracht van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens het niet melden van werkzaamheden in een hennepplantage.