Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:3311

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2015
Publicatiedatum
30 september 2015
Zaaknummer
14/6333 AW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in hoger beroep over doorstroming politie

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel in een geschil met de korpschef van politie over doorstroming binnen het korps. Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. dr. Van de Griend, een van de rechters die de zaak behandelde.

Het wrakingsverzoek berustte op een vermeende uitlating van mr. dr. Van de Griend tijdens de zitting, waarin zij zou hebben aangegeven dat de korpschef handelde overeenkomstig afspraken met de ondernemingsraad Friesland. Verzoeker meende hierdoor dat er sprake was van vooringenomenheid of dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond.

De Raad overwoog dat het stellen van kritische vragen door een rechter binnen diens taak valt en dat het voorhouden van een interpretatie van afspraken geen grond is voor wraking. Bovendien was verzoeker in de gelegenheid gesteld te reageren op de interpretatie. Een later aangevoerde wrakingsgrond werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat deze niet tijdig was ingebracht.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. dr. Van de Griend wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

14/6333 AW-W
Datum uitspraak: 25 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 oktober 2014, 14/1026, in het geding tussen verzoeker en de korpschef van politie (de korpschef).
Op 22 mei 2015 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat het hoger beroep op 2 juli 2015 op zitting zal worden behandeld door de volgende rechters: mr. dr. E.J.M. Heijs,
mr. dr. B.J. van de Griend en mr. M.C.D. Embregts (behandelend rechters).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.J. de Wit, M.P Doosje en G.J. Haitsma.
Bij brief van 14 juli 2015 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. dr. Van de Griend.
Mr. dr. Van de Griend heeft schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Bij brief van 23 juli 2015 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld.
Verzoeker en mr. dr. Van de Griend hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
1.2.
Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek om wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
1.3.
Ingevolge artikel 8:16, derde lid, van de Awb moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.
2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat
mr. dr. Van de Griend op de zitting een uitlating heeft gedaan op grond waarvan verzoeker meent dat zij jegens hem en/of zijn standpunten een vooringenomenheid koestert, althans dat bij hem de objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Ter zitting zou zij te kennen hebben gegeven dat de korpschef handelt overeenkomstig de afspraken met de ondernemingsraad Friesland (OR) van 11 september 2012 ten aanzien van een beoordeling boven de norm. Bij brief van 23 juli 2015 heeft verzoeker - in aanvulling op zijn verzoek van 14 juli 2015 - opgemerkt dat mr. dr. Van de Griend het betoog van de gemachtigde onderbrak, net nadat te kennen was gegeven dat de korpschef van politie niet overeenkomstig de afspraken met de OR handelde en een begin werd gemaakt om dat nader te onderbouwen.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is
(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2015 blijkt dat aan verzoeker vragen zijn gesteld over de implementatie van het loopbaanbeleid en de wijze van beoordelen binnen het korps Friesland. Verzoeker is daarbij door mr. dr. Van de Griend voorgehouden dat de wijze waarop het korps Friesland invulling heeft gegeven aan die implementatie in overeenstemming is met de afspraken die met de OR zijn gemaakt en gevraagd of zij iets over het hoofd ziet. Voorts heeft zij gesteld dat de werkwijze van het korps Friesland duidelijk is, in die zin dat ten minste 24 punten moeten zijn behaald en dat het gemiddelde moet zijn overtroffen. Dit is ook expliciet door de gemachtigde van verzoeker bevestigd.
3.3.
Het stellen van (kritische) vragen behoort tot de taak van de rechter (zie bijvoorbeeld CRvB 17 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:869). In het door verzoeker ingestelde hoger beroep ligt onder meer de vraag voor of verzoeker voldoet aan de criteria voor doorstroming naar de functie van Senior GGP. Om die reden is het ook aangewezen dat over de door het korps Friesland gehanteerde werkwijze vragen worden gesteld. Uit het enkele feit dat deze (kritische) vragen worden gesteld kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid. Dit geldt ook voor het voorhouden van een interpretatie van de afspraken met de OR. Verzoeker is immers ook nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld om te reageren op de interpretatie door
mr. dr. Van de Griend.
3.4.
Het feit dat verzoeker naar voren heeft gebracht in zijn brief van 23 juli 2015 was hem al bekend op het moment van het wrakingsverzoek van 14 juli 2015. Voor zover verzoeker heeft beoogd een nieuwe wrakingsgrond naar voren te brengen, wordt vastgesteld dat verzoeker dit in zijn wrakingsverzoek van 14 juli 2015 had kunnen en moeten aanvoeren. Door dit niet te doen, is niet voldaan aan artikel 8:16, eerste en derde lid, van de Awb
.Dat betekent dat deze wrakingsgrond niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking van mr. dr. Van de Griend moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mr. dr. Van de Griend af.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2015.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) P. Boer

NK