ECLI:NL:CRVB:2015:3294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens door partner verstrekte goederen en inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand en kreeg goederen van haar partner F voor haar kinderen. Het college herzag haar bijstand en vorderde terugbetaling wegens vermeend inkomen in natura van de goederen. De rechtbank oordeelde dat de tegenwaarde van de goederen als inkomen moest worden aangemerkt en wees het beroep deels af.
In hoger beroep stelde appellante dat er geen alimentatieverplichting was en dus geen sprake van inkomen in natura. De Raad stelde vast dat appellante de verklaring van ontvangst had ondertekend, maar dat de tegenwaarde van de goederen niet als inkomen in natura kon worden beschouwd omdat geen opgeofferd bedrag bestond.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor het deel van de herziening over de periode na 8 december 2010, maar liet de rechtsgevolgen van de terugvordering in stand vanwege substantiële besparing op bijstand. De maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting werd bevestigd. Verrekening van dwangsommen met openstaande vorderingen werd toegestaan. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De herziening van de bijstand over de periode na 8 december 2010 wordt vernietigd, de maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting bevestigd en het college veroordeeld in proceskosten.