ECLI:NL:CRVB:2015:3138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering met terugwerkende kracht in strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellant was sinds april 2009 in dienst bij een schoonmaakbedrijf en meldde zich in maart 2012 ziek. In november 2012 werd op initiatief van de werkgever de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd, waarbij appellant een beëindigingsvergoeding ontving. Het UWV weigerde aanvankelijk een Ziektewetuitkering aan appellant wegens het plegen van een benadelingshandeling door het prijsgeven van loonaanspraken tijdens ziekte. Vervolgens werd een WW-uitkering toegekend met ingang van 24 december 2012, maar deze werd later ingetrokken met terugwerkende kracht omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij geen recht had op de WW-uitkering. Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat het UWV zelf aanvankelijk ook niet duidelijk was dat de toekenning fout was.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant niet redelijkerwijs kon weten dat hij geen recht had op de WW-uitkering, mede omdat het UWV zelf de uitkering aanvankelijk had toegekend en de intrekking aanvankelijk op een onjuiste grondslag was gebaseerd. Daarom is de intrekking met terugwerkende kracht tot 24 december 2012 en de terugvordering in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad bepaalde dat de intrekking met ingang van 7 maart 2013 plaatsvindt en herroept het terugvorderingsbesluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en kosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 24 december 2012 is onrechtmatig; intrekking geldt vanaf 7 maart 2013.