ECLI:NL:CRVB:2015:3113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herziening en terugvordering bijstand wegens onjuiste grondslag en onjuiste maatregel
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 2004 bijstand. Bij een heronderzoek bleek dat appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn zoon op een markt, wat hij niet had gemeld aan het dagelijks bestuur, waardoor het vermoeden ontstond van schending van de inlichtingenverplichting. Het dagelijks bestuur herzag en vorderde bijstand terug over 2010-2012 en legde een maatregel van 100% verlaging bijstand op voor april 2013.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat hij slechts vrijwilligerswerk verrichtte en de inlichtingenverplichting niet had geschonden over augustus-december 2012. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur niet langer de schending over die periode handhaafde en dat de herziening en terugvordering over die maanden op een onjuiste grondslag berustten. Voor de periode januari-juli 2012 was de schending wel aannemelijk.
Verder werd geoordeeld dat de maatregel op een onjuiste benadelingsvaststelling was gebaseerd en daarom niet standhoudt. De Raad vernietigde de bestreden besluiten voor zover zij de herziening en terugvordering over augustus-december 2012 en de maatregel betroffen, en droeg het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De herziening en terugvordering bijstand over augustus-december 2012 en de maatregel van 100% verlaging bijstand gedurende één maand worden vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen opnieuw te beslissen.