ECLI:NL:CRVB:2015:3003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als ondersteunend facilitair medewerker, viel uit wegens rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 9 april 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen door het UWV onderschat zijn, met name vanwege discrepanties tussen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van het UWV en een door de bedrijfsarts opgestelde mogelijkhedenlijst. Ook stelde appellant dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn vanwege longklachten, tillast en onvoldoende wisselmogelijkheden in houding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de FML van 19 februari 2013 juist en overtuigend zijn gemotiveerd en dat er geen medische gronden zijn voor een urenbeperking. De Raad verwierp de stellingen van appellant wegens gebrek aan nieuwe medische informatie en benadrukte dat het vaststellen van beperkingen een exclusieve taak is van de verzekeringsarts. De geselecteerde functies zijn passend binnen de beperkingen van appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.