ECLI:NL:CRVB:2015:2660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van Wmo wegens ontbreken substantiële bedreiging gezondheid
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, vroeg om toelating tot maatschappelijke opvang en een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van regiobinding en het ontbreken van een substantiële bedreiging van de gezondheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische rapporten onvoldoende onderbouwing boden voor een bedreiging van de gezondheid en dat het college het opvangbeleid juist had toegepast.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellant gedurende de periode opvang kreeg via de bed-bad-broodregeling, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat zijn gezondheid substantieel wordt bedreigd zonder opvang. Ook is geen bijzondere bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro aan de orde.
De Raad oordeelt dat het college zijn beleid juist heeft toegepast en wijst het beroep af. Tevens benadrukt de Raad het belang van heldere toepassing van regiobinding om te voorkomen dat betrokkenen tussen wal en schip vallen. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag tot maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat geen substantiële bedreiging van de gezondheid is vastgesteld.