ECLI:NL:CRVB:2015:2512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van medewerking UWV aan executoriaal beslag en juiste toepassing beslagvrije voet
Appellante ontvangt sinds januari 2012 een WIA-uitkering van het UWV. In oktober 2012 heeft het UWV de uitbetaling van deze uitkering verlaagd vanwege een door een gerechtsdeurwaarder gelegd beslag, waarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel en stelde dat het UWV gehouden is medewerking te verlenen aan executoriaal beslag en dat het aan de burgerlijke rechter is om de geldigheid van het beslag te beoordelen.
Appellante stelde in hoger beroep dat het loonbeslag onrechtmatig was, de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld en dat het UWV haar had moeten doorverwijzen naar de burgerlijke rechter. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht binnen het kader van het beslag is gebleven en dat er geen aanleiding is om af te wijken van de uitspraak van de rechtbank. De Raad bevestigde dat het UWV verplicht is medewerking te verlenen aan het beslag en dat het beslag als gegeven moet worden aanvaard bij de toetsing van de betalingsbeslissing.
De Raad wees ook op eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het UWV rekening dient te houden met de beslagvrije voet bij verrekening en inhouding. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten aan appellante toe te rekenen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 8 juli 2015 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.