ECLI:NL:CRVB:2007:BA8609

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2455 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat UWV medewerking moet verlenen aan executoriaal derdenbeslag zonder beoordeling beslagvrije voet

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om een deel van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering aan een deurwaarder te betalen in verband met een gelegd derdenbeslag. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat het UWV niet bevoegd is de juistheid van de beslagvrije voet te beoordelen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het UWV gehouden is medewerking te verlenen aan executoriaal beslag. De beoordeling van de geldigheid en hoogte van het beslag, waaronder de beslagvrije voet, is exclusief voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De bestuursrechter toetst slechts of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven bij het nemen van de betalingsbeslissing.

Omdat het niet in geschil was dat het UWV binnen dit kader handelde, wordt het hoger beroep verworpen. Appellant wordt geadviseerd om de hoogte van de beslagvrije voet met de deurwaarder te bespreken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV medewerking moet verlenen aan executoriaal derdenbeslag en dat de beoordeling van de beslagvrije voet aan de burgerlijke rechter is voorbehouden.

Uitspraak

05/2455 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2005, 04/2918
(hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 2 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 21 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 25 augustus 2004, waarbij is gehandhaafd het besluit van 26 april 2004, tot de betaling van een deel van de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver-zekering aan deurwaarder Maas Delta overeenkomstig het door deze deurwaarder gelegde derdenbeslag.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen, zakelijk, dat het, anders dan appellant heeft betoogd, niet op de weg ligt van het Uwv om de juistheid van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet te beoordelen.
Het tegen dit oordeel gerichte hoger beroep faalt. Naar de Raad vaker heeft overwogen is het Uwv gehouden medewerking te verlenen aan het gelegde executoriale beslag en ligt het niet op zijn weg de geldigheid van dit beslag te beoordelen. Dat is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt een oordeel daarover niet toe. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Het is niet in geschil dat dit hier het geval is. Met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet zal appellant zich met de deurwaarder kunnen verstaan.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en
I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.