ECLI:NL:CRVB:2015:2178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- M.T. Boerlage
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen zonder aanvullende vergoeding
Appellante was sinds 1975 werkzaam bij de Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer en kampte vanaf 1997 met langdurige arbeidsongeschiktheid. Pogingen tot re-integratie en interne detachering slaagden niet. Vanaf 2005 ontstonden diverse fricties met leidinggevenden over naleving van werkafspraken, die na 2009 toenamen. Mediation in 2010 mislukte, waarna de arbeidsverhoudingen onherstelbaar verstoord raakten.
De griffier verleende appellante in 2011 eervol ontslag op grond van artikel 131, eerste lid, ARSG, met een ontslagregeling die een uitkering gelijk aan de WW en bovenwettelijke uitkeringen omvatte. Appellante voerde aan dat zij vanwege arbeidsongeschiktheid geen aanspraak kon maken op de minimumgarantie en dat de griffier een overwegend aandeel had in het ontstaan van de situatie, waardoor een aanvullende vergoeding had moeten worden toegekend.
De Raad oordeelde dat de ontslagregeling conform de wettelijke bepalingen was en dat de garantie niet onvoorwaardelijk is, met name niet bij arbeidsongeschiktheid die leidt tot Ziektewet- of WIA-uitkering. Verder stelde de Raad vast dat appellante herhaaldelijk tekortschiet in het naleven van regels en communicatie, terwijl de griffier slechts een beperkt aandeel had in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding.
Daarom is het ontslagbesluit rechtmatig en is de toegekende ontslagregeling passend. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder toekenning van aanvullende vergoeding of proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens verstoorde arbeidsverhoudingen wordt bevestigd zonder aanvullende ontslagvergoeding.