ECLI:NL:CRVB:2015:2123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet melden bezit onroerend goed en nalatenschap
Appellant ontving bijstand van oktober 2010 tot juni 2012. Tijdens een strafrechtelijk onderzoek werd in juni 2012 contant geld gevonden in de woning van zijn vriendin. De sociale recherche onderzocht de rechtmatigheid van de bijstand en concludeerde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van mede-eigendom van een woning in Kosovo en een ontvangen nalatenschap.
Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant betwistte dat hij mede-eigenaar was van de woning en stelde dat slechts een deel van het contante geld aan hem toebehoorde.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk beschikte over een aandeel in de woning en dat hij dit niet had gemeld. Zijn verklaring werd als betrouwbaar beschouwd omdat deze onder ambtsbelofte was afgelegd en ondertekend. Appellant leverde geen objectief bewijs om zijn stellingen te onderbouwen. Ook met betrekking tot de nalatenschap kon de omvang van zijn aandeel niet worden vastgesteld.
Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op bijstand indien hij wel aan zijn inlichtingenplicht had voldaan, bevestigde de Raad de intrekking van de bijstand. De proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege het niet melden van mede-eigendom en nalatenschap.