Uitspraak
OVERWEGINGEN
- 29 januari 2012 tot en met 7 mei 2012;
- 24 mei 2012 tot en met 17 juni 2012;
- 25 juni 2012 tot en met 27 juli 2012;
- 11 augustus 2012 tot en met 8 september 2012; en
- 10 oktober 2012 tot en met 4 november 2012.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en had als uitkeringsadres een woning in Nederland opgegeven. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant in Duitsland verbleef en werkte, voerde het college onderzoek uit. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over bepaalde periodes vanwege verblijf in het buitenland en onduidelijkheid over levensonderhoud.
Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat hij niet de gehele periode in Duitsland verbleef en dat hij vanwege ernstige rugklachten een unieke, noodzakelijke behandeling in Duitsland ondergaat. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk hoefde te maken dat appellant gedurende de gehele periode in het buitenland was, maar wel dat onduidelijkheid bestond over zijn levensonderhoud en verblijf.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk maakte hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en dat de medische situatie geen acute noodsituatie betrof die een uitzondering op de regels zou rechtvaardigen. De verlaging van de bijstand werd daarom bevestigd. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens verblijf in het buitenland zonder melding wordt bevestigd.