ECLI:NL:CRVB:2015:1876
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering voorschot WW-uitkering wegens ontbreken dringende reden ontslag
Appellant was sinds 2004 werkzaam als geestelijk begeleider bij zijn werkgever. In 2012 ontstond een conflict over zijn functioneren, leidend tot schorsingen en uiteindelijk ontslag per 1 september 2012. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde een voorschot op deze uitkering omdat het vermoedde dat het ontslag op dringende reden was gebaseerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, stellende dat er voldoende grond was voor een ontslag op staande voet vanwege gedragingen van appellant, waaronder het niet accepteren van gezag, imagoschade en schending van geheimhoudingsplicht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat er geen objectieve dringende reden was voor ontslag op staande voet. Hoewel de arbeidsverhouding ernstig verstoord was, ontbrak een specifieke gedraging die onmiddellijke beëindiging rechtvaardigde. Het UWV had dit bij de beslissing over het voorschot al moeten vaststellen en de weigering was daarom onterecht.
De Raad draagt het UWV op het besluit te herstellen en bij de definitieve beslissing ook het recht op WW-uitkering te betrekken. Deze tussenuitspraak betekent dat het beroep van appellant gegrond is en het UWV zijn besluit moet herzien.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit tot weigering van het voorschot op de WW-uitkering herstellen omdat geen objectieve dringende reden voor ontslag op staande voet bestond.