ECLI:NL:CRVB:2015:1738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eervol ontslag en toekenning ontslaguitkering ondanks impasse arbeidsverhouding
Appellant was sinds 1994 werkzaam bij een penitentiaire inrichting en werd wegens arbeidsongeschiktheid in 2003 overgeplaatst naar een andere functie met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gedurende 2003-2012 was er veel ziekteverzuim en verstoorde arbeidsverhoudingen, met pogingen tot beëindiging van de aanstelling. Appellant deed vanaf 2006 meerdere meldingen van integriteitsschendingen, die door het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) werden onderzocht, maar niet werden bevestigd.
In 2012 werd appellant eervol ontslagen wegens een impasse in de arbeidsverhouding, waarbij de minister een ontslaguitkering toekende. Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag en de hoogte van de uitkering, stellende dat de minister door het nalaten van een zorgvuldig onderzoek een overwegend aandeel had in de impasse en daarom een hogere vergoeding moest betalen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant zelf overwegend heeft bijgedragen aan de impasse. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond het onderzoek van het BIV zorgvuldig en oordeelde dat appellant door zijn voortdurende klachten en dreiging met openbaarheid de verhoudingen verder heeft verslechterd. De minister mocht daarom volstaan met de toegekende ontslaguitkering.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het eervol ontslag met ontslaguitkering wordt bevestigd.