ECLI:NL:CRVB:2014:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging vordering studentenreisproduct bij uitschrijving onderwijsinstelling
Appellante was van augustus tot en met november 2012 niet ingeschreven bij haar onderwijsinstelling en had daardoor geen recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct. De rechtbank had het beroep van appellante tegen het besluit van de Minister tot oplegging van een vordering voor het studentenreisproduct over deze periode ongegrond verklaard.
Appellante voerde aan dat zij tijdelijk was uitgeschreven en dat dit niet zou leiden tot verlies van het recht op het studentenreisproduct. Ook stelde zij dat het boetetraject van de Minister niet rechtsgeldig was. De Raad overwoog echter dat het recht op het studentenreisproduct gekoppeld is aan het recht op een basis- of aanvullende beurs en daarmee aan de inschrijving bij de onderwijsinstelling. Appellante had moeten weten dat het recht eindigt bij uitschrijving.
Verder oordeelde de Raad dat de vordering geen straf maar een reparatoire maatregel betreft en dat het boetetraject rechtsgeldig is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op het studentenreisproduct tijdens haar uitschrijving en wijst het beroep af.