ECLI:NL:CRVB:2014:4138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De zaak betreft een hoger beroep tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werknemer. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken omdat de werkgever niet tijdig en adequaat had gehandeld.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de werkgever te laat was gestart met re-integratie in het tweede spoor, ondanks een arbeidskundig advies dat re-integratie in het eigen werk of eerste spoor niet meer mogelijk was. De werkgever had vier maanden laten verstrijken voordat zij daadwerkelijk activiteiten in het tweede spoor ondernam, waardoor kansen op re-integratie werden gemist.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat zij wel tijdig inspanningen had verricht en dat het UWV pas na het zogenaamde opschudmoment mocht toetsen. De Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat de wet en beleidsregels een zo spoedig mogelijke re-integratie bij een andere werkgever voorschrijven zodra duidelijk is dat terugkeer in het eigen werk niet mogelijk is.
De Raad concludeerde dat de werkgever onvoldoende en te laat had gehandeld en bevestigde daarmee de loonsanctie. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.