ECLI:NL:CRVB:2014:3871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WWB-bijstand; beroep op verjaring faalt
Appellante werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstandskosten over de periode van 1997 tot 2009 door het bestuur, waarbij zij zich beroept op verjaring van de vordering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De kern van het geschil betrof het tijdstip waarop het bestuur bekend werd met de gronden voor terugvordering. Appellante stelde dat zij dit al in maart 2007 had gemeld via een brief over een Marokkaanse bankrekening, maar het bestuur betwistte ontvangst. De Raad oordeelde dat de brief onvoldoende bewijs leverde van ontvangst en dat het bestuur pas vanaf mei 2009 bekend was met de relevante feiten.
Hierdoor was de terugvordering binnen de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:309 BW Pro. Het beroep op verjaring faalde derhalve. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees de proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep op verjaring van de terugvordering van bijstand wordt verworpen en het bestreden besluit bevestigd.