ECLI:NL:CRVB:2014:3503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als [naam functie] bij een gemeente, meldde zich ziek met nek-, schouder- en armklachten en psychische problemen. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid verlengde het UWV zijn aanspraak op bezoldiging tot 21 maart 2012. Vervolgens weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functies die appellant kon vervullen medisch passend waren. De rechtbank vond het verlies aan verdienvermogen 23,7%, wat onvoldoende is voor een WIA-uitkering.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de gehanteerde uurlonen niet realistisch waren. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV de medische beperkingen, waaronder concentratieproblemen en stressgevoeligheid, adequaat had meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de functiebeoordeling. Ook de uurlonen uit het Claim Beoordelings en Borgings Systeem (CBBS) werden als juist beschouwd, omdat appellant geen voldoende gemotiveerde tegenbewijs had geleverd.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.