ECLI:NL:CRVB:2014:3415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand en toerekening loopbaanpremie als inkomen
Appellant was werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en beëindigde zijn dienstverband per 1 augustus 2012, waarbij hij een loopbaanpremie ontving. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. Vervolgens vroeg appellant bijstand aan, met ingang van 15 november 2012, welke werd toegekend. Het college stelde echter de ingangsdatum van de bijstand vast op 15 november 2012 en wees een eerdere ingangsdatum af omdat de ontvangen loopbaanpremie als inkomen werd aangemerkt dat toereikend was voor levensonderhoud in de periode vanaf 1 augustus 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de loopbaanpremie betrekking had op een eerdere periode en niet op de periode waarover bijstand werd gevraagd, omdat het een compensatie was voor afschaffing van VUT- en FPU-regelingen. De Raad oordeelde dat de loopbaanpremie een eenmalige vergoeding is verbonden aan de beëindiging van de dienstbetrekking en bestemd is voor levensonderhoud in de periode na het ontslag.
De Tijdelijke regeling waaruit de premie voortvloeit, faciliteert uitstroom naar minder belastende functies en kent geen specifieke bestemming aan de premie. De Raad concludeerde dat de premie terecht als inkomen wordt toegerekend aan de periode van 1 augustus 2012 tot 15 november 2012, en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstand blijft 15 november 2012.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand wordt vastgesteld op 15 november 2012, waarbij de loopbaanpremie als inkomen wordt toegerekend aan de periode vanaf 1 augustus 2012.