ECLI:NL:CRVB:2014:3332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget na overlijden en faillissement bemiddelingsbureau
De zaak betreft het hoger beroep van de erven van betrokkene tegen het besluit van het Zorgkantoor Zuid-Limburg tot terugvordering van persoonsgebonden budgetten (pgb) over 2008 en 2009. Betrokkene was onder bewind en mentorschap gesteld en overleed in april 2009. Het Zorgkantoor stelde het pgb vast op basis van verantwoordingen en administratie, waaronder gegevens van het failliete bemiddelingsbureau Raad en Daad.
Appellanten voerden aan dat de overeenkomst met Raad en Daad niet rechtsgeldig was, dat het Zorgkantoor niet bevoegd was tot terugvordering zonder expliciet besluit tot intrekking, en dat bijzondere omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Ook werd gesteld dat de rechtbank een groot deel van de beroepsgronden niet had behandeld.
De Raad oordeelde dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij betrokkene lag, ook als een derde was ingeschakeld. Het Zorgkantoor had de belangen van appellanten betrokken door reconstructie van de verantwoording en civiele procedures tegen Raad en Daad. Het besluit tot terugvordering was een vaststellings- en terugvorderingsbesluit op grond van de Awb, waarbij het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen.
De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt, waarbij rekening was gehouden met de ernst van de tekortkoming en de gevolgen voor appellanten. Het civiele vonnis tegen Raad en Daad en haar vennoten werd betrokken bij de beoordeling. De Raad verwierp de bezwaren van appellanten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Limburg. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het persoonsgebonden budget en verklaart het beroep van appellanten ongegrond.