ECLI:NL:CRVB:2014:3279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies per 2 januari 2012
Appellant was sinds 1 september 2003 werkzaam als leerkrachtondersteuner en meldde zich ziek na een bedrijfsongeval in 2004. Na gedeeltelijke werkhervatting weigerde het UWV in 2006 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In 2011 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd afgewezen wegens gebrek aan relevant arbeidsurenverlies. Na beëindiging van looncompensatie en wijziging van werktijdfactor per 1 januari 2012 vroeg appellant opnieuw een WW-uitkering aan per 2 januari 2012, welke wederom werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het arbeidsurenverlies en loonverlies al in 2006 plaatsvond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij per 2 januari 2012 wel degelijk relevant arbeidsurenverlies had, onderbouwd met salarisspecificaties en inkomensachteruitgang.
De Raad oordeelde dat het begrip arbeidsurenverlies feitelijk moet worden opgevat, gebaseerd op daadwerkelijk gewerkte uren volgens polisadministratie. Deze toonde een daling van gemiddeld 29,54 naar 26,77 uur per week, onvoldoende voor recht op WW. Verlofdagen wegens arbeidsongeschiktheid werden gelijkgesteld aan arbeidsuren. De looncompensatie en CAO-regeling staan los van het arbeidsurenverlies. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant heeft per 2 januari 2012 geen recht op WW-uitkering wegens onvoldoende verlies van arbeidsuren.