De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen het college van burgemeester en wethouders van Heerlen inzake een uitkeringsspecificatie over december 2008. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin een gebrek in het besluit van 7 mei 2009 werd vastgesteld, waarna het college een nieuw besluit op bezwaar nam op 21 maart 2012. Appellante was het niet eens met dit besluit en stelde dat alleen de inkomsten waarover zij redelijkerwijs kan beschikken, mogen worden gekort, en dat onduidelijkheid bestond over de verwerking van vakantietoeslag.
De Raad oordeelde dat het college met het besluit van 21 maart 2012 voldoende inzicht had gegeven in de systematiek van de uitkeringsspecificatie en dat het college terecht uitging van de algemene heffingskorting als een inkomensbestanddeel waarover appellante redelijkerwijs kan beschikken. Tevens gaf het college een toelichting op het verschil in bedragen met betrekking tot vakantietoeslag.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelde de Raad vast dat door de bestuurlijke lus de redelijke termijn was overschreden en dat deze overschrijding volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. De Raad besloot het onderzoek te heropenen en de Staat der Nederlanden als partij aan te merken in de procedure over de schadevergoeding.
De Raad vernietigde het besluit van 7 mei 2009 voor zover het de uitkeringsspecificatie over december 2008 betreft, verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 maart 2012 ongegrond, en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante. De uitspraak werd gedaan door voorzitter J.J.A. Kooijman op 3 juli 2013.