Appellant, een Belgische grensarbeider die sinds 1970 in Nederland woont en sinds 2009 een Belgisch rustpensioen ontvangt, vroeg ontheffing van de verzekering op grond van de AOW, Anw en AKW aan met ingang van 31 maart 2011. De Sociale verzekeringsbank verleende deze ontheffing vanaf die datum, maar appellant wilde dat dit met terugwerkende kracht vanaf maart 2009 zou gelden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de ingangsdatum van de ontheffing wordt bepaald door de datum van aanvraag, tenzij sprake is van onbillijkheden van overwegende aard.
In hoger beroep stelde appellant dat het onbillijk is dat hij vanaf maart 2009 premie moet betalen terwijl hij al pensioen ontvangt en niet dubbel verzekerd wil zijn. De Raad overwoog dat appellant vanaf maart 2009 ingevolge Europese regelgeving en nationaal recht verzekerd is in Nederland omdat hij zijn werkzaamheden in België heeft beëindigd en in Nederland woont. De ontheffing kan niet met terugwerkende kracht worden verleend omdat de late aanvraag het gevolg is van onbekendheid met de regelgeving en er geen onbillijkheden van overwegende aard zijn.
De Raad verwierp ook de stelling dat de Sociale verzekeringsbank hem had moeten informeren over de ontheffingsmogelijkheden, omdat appellant hier niet om had gevraagd. Verder is het feit dat appellant niet verzekerd is voor de AWBZ niet relevant voor zijn verzekering voor AOW, Anw en AKW. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af.