Appellant diende op 18 januari 2012 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, welke door het college werd afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon op hetzelfde adres. Een eerdere beroepsprocedure werd ongegrond verklaard. Vervolgens vroeg appellant opnieuw bijstand aan op 3 mei 2012, welke aanvraag aanvankelijk buiten behandeling werd gesteld en later inhoudelijk werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van 13 juni 2012 gegrond en vernietigde dit besluit, maar oordeelde onterecht dat het besluit van 5 juni 2012 een beslissing op bezwaar was. De Centrale Raad stelt vast dat het college het besluit van 5 juni 2012 terecht als wijzigingsbesluit heeft aangemerkt en vernietigt de uitspraak van de rechtbank met uitzondering van de proceskostenbepalingen.
De Raad bevestigt dat appellant en de betreffende persoon in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant geen recht had op bijstand als alleenstaande. Tevens oordeelt de Raad dat het college de door appellant gemaakte kosten in bezwaar had moeten vergoeden omdat het primaire besluit onrechtmatig was herroepen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van in totaal €1.461,- aan kosten, waaronder het griffierecht.