ECLI:NL:CRVB:2013:CA1196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten naar CVS-centrum wegens onvoldoende medische noodzaak
Appellante verzocht bijzondere bijstand voor reiskosten naar het CVS-centrum in Amsterdam, welke door het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage werd afgewezen op basis van sociaal-medische adviezen van GGD-artsen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij een terughoudende benadering hanteerde ten aanzien van de medische noodzaak.
In hoger beroep betoogde appellante dat deze beperkte benadering onjuist was en dat de vertrouwensband met haar behandelaar in het CVS-centrum een medische noodzaak vormde. De Raad oordeelde dat het college geen beoordelingsvrijheid heeft over de noodzakelijkheid van de kosten en dat de bestuursrechter zich hier volledig een eigen oordeel over moet vormen.
Na beoordeling van de deskundigenrapporten en adviezen concludeerde de Raad dat appellante onvoldoende objectieve onderbouwing leverde voor een medische noodzaak die uitsluitend behandeling in het CVS-centrum rechtvaardigt. De vertrouwensband met de behandelaar, hoewel door appellante als belangrijk ervaren, is onvoldoende om bijzondere bijstand toe te kennen.
Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. De aanvraag om bijzondere bijstand voor reiskosten werd terecht afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor reiskosten naar het CVS-centrum is afgewezen wegens onvoldoende objectieve medische noodzaak.