ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en verlaging bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en werd onderzocht vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding met betrokkene, zijn buurvrouw en moeder van zijn kind. Na een onaangekondigd huisbezoek en een onderzoek door sociaal rechercheurs werd vastgesteld dat appellant en betrokkene gezamenlijk hoofdverblijf hielden in de woning van betrokkene.
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven trok de bijstand van appellant in en legde een verlaging op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant voerde bezwaar aan tegen de rechtmatigheid van het huisbezoek en de bewijswaardering, met name over de toestemming voor binnentreden en de betrouwbaarheid van een getuige.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was omdat er een redelijke grond bestond, de toestemming van een bewoner was verkregen met volledige informatie (informed consent), en appellant zelf instemde met voortzetting van het huisbezoek. De verklaring van de getuige werd als betrouwbaar beoordeeld. De Raad bevestigde dat het gezamenlijk hoofdverblijf bepalend is voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, ongeacht dat appellant en betrokkene buren waren.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de intrekking en verlaging van de bijstand, en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De intrekking en verlaging van de bijstand worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.