ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand volgens de WWB en werd door het college aangesproken op het niet melden van een gezamenlijke huishouding met haar partner [P.]. Na meldingen en een onderzoek met getuigenverklaringen, cameraobservaties en dossieronderzoek concludeerde het college dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode van 26 mei 2005 tot 30 juni 2006.
De rechtbank Arnhem oordeelde deels in het voordeel van appellante, maar stelde vast dat voor de genoemde periode een gezamenlijke huishouding bestond. Het college trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde, maar de Raad vond de onderzoeksbevindingen voldoende om het tegendeel te bewijzen.
De Raad bevestigde dat het hoofdverblijf van appellante en [P.] in dezelfde woning was en dat het feit dat zij samen drie kinderen hebben, het vermoeden van gezamenlijke huishouding versterkt. Verklaringen van buurtbewoners, de kinderen en cameraobservaties ondersteunden dit. De Raad verwierp tegenbewijs en bevestigde het college's bevoegdheid tot intrekking en terugvordering. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.