ECLI:NL:CRVB:2012:BW0108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering en een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na een anonieme tip startte de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij en [H.] gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.
De Svb trok de nabestaandenuitkering met ingang van 1 juni 2003 in en herzag het AOW-pensioen vanaf mei 2004. Appellante werd vrijgesproken van uitkeringsfraude in een strafrechtelijke procedure, maar dit deed niet af aan de bestuursrechtelijke beoordeling.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante, ondanks het ontbreken van voorafgaand advies van een advocaat, rechtsgeldig kon worden gebruikt in de bestuursrechtelijke procedure. Er was voldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding, en appellante had haar mededelingsplicht niet nagekomen.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen dringende redenen of kennelijke onredelijkheid om af te zien van terugvordering. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van de uitkeringen wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.